Zaanstreek

Wie ontdekte de Zaanstreek? De aanvankelijke bewoners, pakweg tien eeuwen terug? Expansietoeristen als Czaar Peter (1697) of Napoleon (1811)? Of de eerste buslading Japanners, die ergens in de jaren ’60 de Zaanse Schans doorkruiste?
Zou het kunnen dat Zaanstad, Wormerland en Oostzaan nog steeds niet zijn ontdekt? De gemiddelde galgenzager – dat is streektaal voor ‘Zaandammer’ – heeft geen idee hoe het logeeradres van bovengenoemde Czaar er van binnen uitziet. Terwijl het toch echt in zijn eigen woonplaats ligt. Veel kroosduikers – dat is een verbastering van ‘Westzaner’ – weten misschien nog wel dat hun dorp een schaatsmuseum heeft, maar een blik naar binnen werpen; da’s een ander verhaal. En gladoren – Wormerveerders – kunnen zelfs hun eigen openbare bibliotheek nauwelijks vinden. Wanneer de autochtone inboorling zijn leefomgeving al niet kent, hoef je nauwelijks te verwachten dat buitenstaanders deze met houten huisjes en voedingsfabrieken omsingelde veenweidegebieden wel weet te vinden.

En toch… Een fatsoenlijke boekwinkel is er weliswaar in de hele regio niet te vinden, maar nergens worden zoveel streekeigen boeken verkocht als in de Zaanstreek. Vereniging De Zaansche Molen telt bijna evenveel leden (3800) als het landelijk opererende gezelschap De Hollandsche Molen. Elk Zaans gehucht heeft een historische club met honderden donateurs. Nomineer een in elkaar zakkende Koogse ex-herberg als mooiste pand van Nederland en hij wordt het nog bijna ook. Dankzij duizenden sms-ende dorpsgenoten.
Zaankanters hebben een onnavolgbare haat-liefdeverhouding met zichzelf. Huis-aan-huisblad De Zaankanter – originele naam trouwens – geeft elke week een halve pagina weg aan een would-be-stukjesschrijver die consequent probeert het college van B&W, de gemeenteraad en alle ambtenaren bij de enkels af te zagen. Dat belet hem niet om elke raadsvergadering te belasten met zijn aanwezigheid, waarbij hij zich onledig houdt met het maken van vrienden in het ambtelijk-politieke wereldje. Waarmee hij bewijst een echte lokalo te zijn.
Sloop een Zaankanter en je vindt een onontwarbaar mengsel van tegenstrijdigheden, een rare mix van diverse menstypes. Gezagsgetrouwe anarchisten zijn het. Trotse zeurkousen. Recht door zee en bot. Stug, maar tolerant.
Het stinkt altijd, volgens de ene inboorling (van oorsprong een buitenpoorter). Naar cacao, naar koek, naar linoleum. Het ruikt juist lekker, volgens de andere (geboren en getogen aan de Zaan). Naar Gerkens, naar Verkade, naar Forbo. Terugkomend van vakantie snuift hij even voorbij Amsterdam gulzig het omgevingsaroma naar binnen, neemt de koffiegeur van Albert Heijn en de zetmeellucht van Honig in zich op en stelt heimweeënd vast dat hij bijna thuis is.
In de gemiddelde Zaanse stamboom staat gebeiteld: ‘Het was niks, het is niks en het wordt niks.’ Maar waag het niet om als buitenstaander een laatdunkende opmerking te maken over, pak ‘m beet, het ooit verguisde standbeeld De Houtwerker, de eens uit Zaandam gejaagde dictator Peter de Grote of het nephouten hotel tegenover het NS-station. Je krijgt geheid ruzie. Want je hebt wel mooi met je lelijke tengels van onze lelijke streek te blijven.
Een wijsgeer van buitenaf -tevens als stedenbouwkundige verantwoordelijk voor bovengenoemd hotel- heeft die ongevaarlijke regionale schizofrenie wel eens getypeerd als de genius loci. Maar dat was gelul, aldus de Zaankanter. Want de Zaanstreek, nou, da’s gewoon de Zaanstreek. Daar moet je niet moeilijk over doen. En die mot vooral zo blaive.

Nep-Zaankanters, ondanks de klompen

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.