Job Cohen

Er wordt weer eens gepoogd gehakt te maken van Job Cohen, dit keer naar aanleiding van zijn interview van deze week in Vrij Nederland. Op de vraag ‘Gebeurt nu weer wat in de jaren dertig gebeurde: dat mensen worden buitengesloten?’ antwoordde Cohen: “Ja. Praat met de mensen en je hoort het. Ik heb als burgemeester van Amsterdam ook gezegd: ik wil de boel bij elkaar houden. Sindsdien is het alleen maar urgenter geworden. De PVV zegt gewoon tegen de moslims: we willen liever dat jullie weggaan. Maar je kunt dé islam niet de schuld geven van het extremisme. Er zijn zoveel moslims die gewoon huisje-boompje-beestje willen en niks anders. Die mensen worden er nu bang van dat Wilders deel uitmaakt van de macht.”

Prompt beweerden veel media, De Telegraaf, GeenStijl en Pownews voorop, dat Cohen het lot van de joden tijdens de Holocaust gelijkstelde aan de omstandigheden waarin moslims nu leven. Kwestie van selectief lezen, nota bene van enkele media die fout waren tijdens respectievelijk na de oorlog. Om Cohens standpunt beter te begrijpen is het goed om de tekst na te lezen die hij op 28 november uitsprak, in het kader van de jaarlijkse Hannie Schaft-lezng. Da’s goed voor de nuance. 

“Dames en heren,

Ik neem u mee naar 1938, het jaar dat Jannetje Johanna Schaft begon aan een studie rechten aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. De opkomst van het nationaalsocialisme en fascisme in Europa was toen al enige tijd voelbaar in de Amsterdamse universiteitswereld. Sommige studenten sympathiseerden met de NSB. Een enkele hoogleraar verkondigde de nationaalsocialistische ideeën zelfs in de collegezaal. Andere intellectuelen hadden eerder juist een ‘Comité van Waakzaamheid’ opgericht, omdat ze het als hun taak zagen om het nationaalsocialisme te bestrijden via publicaties, studiegroepen en conferenties. Een van de leden van het comité was Menno ter Braak. Hij schreef in 1935 al dat de ‘student veel verschuldigd is aan de democratie. En daarom is – voor alles – hij geroepen haar tot het uiterste te verdedigen’. Veel goede hoop daarop had Ter Braak niet: ‘Een der bijna gewijde tradities van Nederlandse studenten is’, schreef hij, ‘hun afkeer van een politieke houding’.

Waar was Ter Braak bang voor? Nederland was een democratie en de oorlog was hier nog niet begonnen. Het ging hem dan ook niet om oorlog. Het ging hem om de wapening tegen een nieuw en alles overwoekerend gedachtegoed. Het meest van alles, vreesde hij de intellectuele kracht van de nieuwe beweging. De nationaalsocialisten waren niet zomaar barbaren. Het waren barbaren met een eigen verhaal. Een zeer destructief verhaal. Ter Braak sprak daar regelmatig over met Hendrik Pos, hoogleraar in de theoretische wijsbegeerte. Hendrik Pos was een opmerkelijk figuur. Hij begon zijn academische carrière als conservatief aan de gereformeerde Vrije Universiteit. Hij had zelfs goed contact met Martin Heidegger, de Duitse filosoof die berucht werd omdat hij nooit afstand zou nemen van zijn sympathie voor het nationaalsocialisme. Pos nam die afstand wel, al heel snel. Halverwege de jaren dertig liet hij zijn geloof los en streed actief mee tegen het nationaalsocialisme. Hij zei daarover: “we stellen ons op een progressief standpunt en komen met klem tegen elke terugdringing van de beschaving op. Het monster heeft vele koppen en daardoor hebben we ons front ertegen verbreed.”

Het is niet toevallig dat we Hannie Schaft terugvinden bij een college van deze Hendrik Pos. Daar ontmoette ze Philine Polak, een medestudente. In het boek dat de journalist Ton Kors over Hannie Schaft schreef, vertelt Philine over dit eerste treffen: “Ze was daar aan het collecteren voor de vluchtelingen uit Spanje. Hoewel ik niet in staat was een bijdrage te geven, omdat ik mijn zakgeld had besteed voor de vluchtelingen uit Duitsland werden we toch bevriend. Later ontmoetten we een derde studente Sonja Frenk, ook een joods meisje, en met ons drieën hebben we –laat ik maar zeggen- een driemanschap gevormd dat gezamenlijk studeerde, bij elkaar at of op visite kwam en af en toe uitstapjes ondernam.” Dus toch, ondanks de observatie van Menno ter Braak, politiek bewustzijn. Hannie Schaft was dus al vroeg een uitzondering. Met een aantal gelijkgezinde studentes richtte ze een nieuw dispuut op.

“We waren eigenlijk allemaal wat vreemde meiden”, vertelde Erna Kropveld later. Ze was één van de weinige leden van dit dispuut die de oorlog overleefde. “We hadden allemaal iets merkwaardigs. Wat dat nou precies was, weet ik niet, maar gemakkelijke tantes waren we niet. De discussies waren meestal fel. Hannie nam daar bij een vooraanstaande plaats in.” Die vreemde, geëngageerde Hannie Schaft haalde na het uitbreken van de oorlog nog wel haar kandidaatsexamen. Maar van studeren kwam niet veel meer. Waar Ter Braak en Pos zo bang voor waren gebeurde: niet alleen de bezetting van het land, maar ook de bezetting van de geest. In oktober 1940 moest al het overheidspersoneel de ariërverklaring ondertekenen. Die trof ook het universitaire personeel. En een maand later werden joden ook uit overheidsdienst ontslagen, en zag Hannie Schaft hoe de joodse professoren van de universiteit verdwenen. Het was het moment waarop professor Cleveringa in Leiden zijn later beroemd geworden rede hield. Hij sprak over de uitzonderlijke geleerde Meijers: ‘Het is deze Nederlander, deze nobele en ware zoon van ons volk, deze mens, deze studentenvader, deze geleerde dien de vreemdeling welke ons thans vijandig overheerst, “ontheft van zijn functie”!’

Hannie Schaft ontfermde zich vervolgens over Philine Polak en Sonja Frenk. Het studeren werd deze jonge vrouwen in die maanden steeds meer onmogelijk gemaakt. Bibliotheken en leeszalen werden voor hen verboden terrein. Ook mochten ze geen lid meer zijn van een studentenvereniging. De bezetting was compleet. Het moet een enorme indruk op ze gemaakt hebben. Toen in de lente van 1942 Joden een gele ster moesten gaan dragen, vervalste Hannie Schaft twee persoonsbewijzen van ongeveer even oude vrouwen voor Sonja en Philine. Kort daarna werden joden opgeroepen voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. Er kwamen razzia’s in Amsterdam. Hannie Schaft en andere studenten hielpen de twee jonge vrouwen aan onderduikadressen. De invoering door de bezetter van de loyaliteitsverklaring gaf voor velen aan de universiteit de doorslag. Een student zal alleen nog maar worden toegelaten als hij ‘plechtig’ verklaart, ‘dat hij de in het bezette Nederlandsche gebied geldende wetten, verordeningen en andere beschikkingen naar eer en geweten zal nakomen en zich zal onthouden van iedere tegen het Duitsche Rijk, de Duitsche weermacht of de Nederlandsche autoriteiten gerichten handelingen, zoomede van handelingen of gedragingen welke de openbare orde aan de inrichtingen van hooger onderwijs, gezien de vigeerende omstandigheden, in gevaar brengen.’

De Werdegang van de jonge vrouwen in die dagen doet mij denken aan dat van een andere jonge vrouw in die tijd, ook een studente in de rechten. Mijn moeder, want over die vrouw heb ik het hier, studeerde aan de Universiteit van Leiden – en maakte daar de rede van Cleveringa mee. Mijn moeder was in Nederland geboren en getogen. Ja, ze was Joods, maar dat was geen belangrijk aspect van haar identiteit. Ze was gewoon een Nederlandse vrouw die leefde in een land waarin verdraagzaamheid als redelijk vanzelfsprekend gold. Maar voor de bezetters golden joden als Fremdkörper, als vreemde lichamen in een door etnische kenmerken afgebakende beschaving. Opeens was die jonge, Nederlandse vrouw veranderd in een ‘vreemde’, iemand die er niet bij hoorde. En als het aan de bezetters lag er ook nooit meer bij zou horen. Net als Philine en Sonja en talloze lotgenoten kreeg zij een collectieve identiteit opgedrongen, een identiteit die eerst zwart werd gemaakt, en vervolgens uitgeroeid moest worden. De afloop is bekend. Gelukkig niet voor mijn moeder, dankzij een reeks onderduikadressen. Bij mensen zoals Hannie Schaft en haar ouders.

Het is goed dat de Stichting jaarlijks deze Hannie Schaft-herdenking organiseert. Dat ze zich ten doel stelt mensen bewust te maken van het gevaar van fascisme, racisme en discriminatie. Ook nu, juist nu. Want terwijl ik mij bezon op het thema voor deze lezing, trof mij hoe gemakkelijk tegenwoordig het woord ‘fascisme’ wordt gebruikt. Het was jarenlang méér dan een scheldwoord. Mensen schrokken er niet alleen van als ze fascist genoemd werden, het was ook ‘not done’ om het begrip te gebruiken. De gebruiker shockeerde, maar plaatste zichzelf ook buiten het debat. Inmiddels keert het begrip vrijwel dagelijks terug in de krant en op tv. Minstens drie groepen mensen worden in Nederland nu regelmatig voor fascisten versleten. Ten eerste zijn er de moslims. Geert Wilders noemt de Islam een fascistische ideologie. Hij vergelijkt het heilige boek van de moslims regelmatig met Hitler’s Mein Kampf, waarbij dan wat hem betreft Mein Kampf er goed uitspringt. Als het niet zo pijnlijk was, zouden we er om kunnen lachen.

Er is nog een andere kerk die tegenwoordig fascisten heet te herbergen. De linkse kerk. Geert Wilders’ collega en inspirator Martin Bosma doet er alles aan om socialisten en nationaalsocialisten tot vergelijkbare categorieën te verklaren. Het verkiezingsprogramma van de PVV zegt: ‘op 4 mei gedenken wij de slachtoffers van het (nationaal) socialisme. En: ‘Hitler was een socialist,’ zei Bosma niet zo lang geleden in de Volkskrant. Het is een opmerking die tijdens een eerstejaars werkgroep geschiedenis interessante discussies zou hebben opgeleverd. In dit geval was hij ondubbelzinnig bedoeld om andere mensen tot op het bot te kwetsen. Ook de derde groep kennen we allemaal: dat zijn de politici van de PVV zelf. Het is een sinds een paar jaar terugkerend debat of de PVV en haar aanhangers zélf als fascistisch te kwalificeren zijn.

Eerlijk gezegd vind ik dit een onverstandig debat. Ten eerste omdat het leidt tot ‘begripsinflatie’. Het historisch beladen begrip wordt steeds minder waard als het gebruik ervan minder zeldzaam wordt. Mijn tweede bezwaar is praktischer. De vergelijkende discussies over de vraag ‘wie fascisten zijn’, leiden af van de werkelijke problemen. Het risico bestaat dat we op een dag ontdekken dat we een discussie over woorden hebben gevoerd, waarin zowel de historische als de hedendaagse werkelijkheid geen recht is gedaan. Dat risico moeten we niet nemen.

De boodschap die ik hier heb is simpel: wie alarm wil slaan, wie wil waarschuwen voor iets groots en verschrikkelijks, moet niet meedeinen met dit verbale geweld. Laten we praten aan de hand van de dagelijkse realiteit, niet aan de hand van een besmeurend begrip, dat ook nog eens op twee of drie manieren uitgelegd wordt. Van deze stelregel is Hannie Schaft nog altijd een prachtig voorbeeld. Zij werd bij de colleges van Hendrik Pos niet gealarmeerd, omdat ze het begrip ‘fascisme’ hoorde en daarom meteen wist wat ze moest doen. Ze zag onrecht in haar omgeving en handelde er naar. Haar vriendinnen Philine en Sonja werden in een proces van enkele maanden tot tweederangs burgers gemaakt. Ze werden beschimpt en vernederd, zonder dat zij daar persoonlijk aanleiding toe hadden gegeven. Het waren niet de grote woorden die de doorslag gaven, maar deze geleidelijke veranderingen in het dagelijks leven. Het moment dat het mensen – haar eigen vrienden! – verboden werd om zich nog langer met hun eigen samenleving te identificeren. Wat Hannie Schaft zag was dat Philine en Sonja door de bezetter een nieuwe identiteit opgelegd kregen. Een totale identiteit, die maar gedeeltelijk iets met hun persoon te maken had. Mensen werden teruggebracht tot die ene identiteit. Dat overkwam hen samen met al die andere joden, met homoseksuelen, met Roma en Sinti. In 1940 werden zij van Nederlanders tot joden, tot homo’s en tot Roma en Sinti gemaakt.

Om goed te beseffen hoe accuraat het inzicht van Hannie Schaft was, moeten we in gedachten houden dat zij nog niets wist en kon weten van de gruwelijkheden die in de jaren daarna te gebeuren stonden. Natuurlijk zal ze over het nationaalsocialisme gelezen hebben. Maar ze wist niet welk lot de joden te wachten stond. Juist dat maakt haar verzet bijzonder. Natuurlijk werd zij later de grote verzetsheldin, het meisje met de rode haren. Maar ik heb het hier over de vroege periode. Zij liet toen zien dat verzet zich niet alleen tegen Het Overduidelijke Kwaad hoeft te keren, maar dat er al eerder aanleiding kan zijn om in opstand te komen. Zij verzette zich niet tegen moord, maar tegen sociale uitsluiting. Ze verzette zich niet tegen deportatie, maar tegen de afname van waardigheid. Tegen wat ik eerder de bezetting van de geest noemde. Mede daarom is het debat over de vraag of en zo ja ‘wie de fascisten zijn’ zo pijnlijk. Iedereen die een ander ervan beticht fascist te zijn, doet zijn best om de andere partij een negatieve collectieve identiteit aan te praten. Hij of zij probeert die ander tot ‘Het Kwaad’ te maken. Er wordt gewerkt met stereotypen, met uitvergrotingen. Zo worden mensen teruggebracht tot een eigenschap van het collectief waar ze deel van uitmaken. Liever zou ik zien dat mensen hun toon zouden matigen. Het is zinloos elkaar fascist te noemen. Wij moeten ons richten op de praktijk van de uitsluiting. Wij moeten blijven oppassen voor pogingen om anderen tegen hun zin in een bepaalde identiteit te forceren. Want het is niet bezwaarlijk om als jood, christen, moslim of – andere categorie! – sociaaldemocraat gezien te worden, maar als anderen gaan bepalen dat dit aspect van je identiteit alle andere aspecten wegdrukt, is het mis.

Net als Hannie Schaft toen, weten wij ook nu niet waar de toekomst toe leidt. Maar dat hebben we ook niet nodig om te zien wat er in het heden gebeurt. We moeten handelen vanuit de werkelijkheid van nu. Ik zie dat de verhoudingen tussen bevolkingsgroepen verharden, dat groepen mensen in Nederland, Nederlanders, één identiteit wordt opgedrongen, waar zij zelf niet per se voor kiezen. Als moslim, als jood, als homo, als ‘Marokkaan’. En dat zij met die opgedrongen identiteit een vreemde worden. Daar moeten we ons ook nu tegen verzetten. Dat is de les van Hannie Schaft en die les geldt vandaag nog steeds.”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.