Sinaasappelsap

Het was een knoestige Zaankanter. Zo’n man wiens familie al minstens zes generaties de Bullekerk in het zicht moest hebben, anders kregen ze heimwee. Een man met een groot hart voor de streek. Daarom klaagde hij ook graag. Pieuwen zou hij het zelf genoemd hebben. Over het gemeentebestuur, over Inverdan, over allerlei nieuwerwetsigheden en stadse fratsen. En over de taal. Iedereen gebruikte tegenwoordig maar buitenlandse woorden. Vooral in Poelenburg. Wat was er mis met Nederlands? Daarin kon je toch ook alles kwijt (‘kwait’) wat je te zeggen had. Zijn toehoorder, die het gemopper inmiddels zat was, probeerde via een raadseltje de monoloog een andere wending te geven. ‘Weet je wat witte bonen zijn in het Engels, Cor?’, vroeg hij. Cor antwoordde gewillig. ‘White beans.’ Dat was fout. ‘Waidbiens is Zaans.’ Cor lachte zuinig.

‘Wil je wat drinken?’, vroeg de grappenmaker. ‘Ja lekker’, antwoordde Cor. ‘Doe maar een jus d’orange.’ De gulle gever reageerde kordaat. Hij draaide zich om, keek de taalpurist aan en zei streng: ‘Dat schenken ze hier niet. Ze hebben hier alleen sinaasappelsap.’ Voor het eerst die avond viel Cor even stil.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.