Veronica op film

Regisseur Steven de Jong produceerde nogal wat rolprenten die weinig positieve recensies, maar veel toeschouwers opleverden (De hel van 63, Leve boerenliefde, De schippers van de Kameleon). Nu wil hij een speelfilm maken over de geschiedenis van radiopiraat Veronica. Het wordt een verhaal dat loopt vanaf de prille begindagen in 1959.

Toevallig heb ik de tekst over die roerige begintijd net afgerond. Het gaat deel uitmaken van Max Lewins levensverhaal. De vrijwel vergeten Amsterdammer Lewin (1919-2011) was de bedenker en medestichter van de V.R.O.N., het latere Veronica. Als opwarmertje alvast een bescheiden voorpublicatie uit zijn biografie. De rest volgt later, in boekvorm.

Op de regenachtige avond van 19 oktober 1959 verzamelde zich in Krasnapolsky een groep mannen. In het boek ‘De Veronica sage’ geeft auteur Gerth van Zanten een sfeerbeeld van deze vergadering.

‘Na heen en weer gepraat bleek dat negentien mensen bereid waren vijfduizend gulden te storten, zodat het streefbedrag van een ton bijna was bereikt. Men dacht toen nog met honderdduizend gulden uit te komen.

“We hebben al drie schepen aangeboden gekregen”, riep Slootmans de vergadering toe. “Alle drie coasters.”

“Wat gaan die kosten?”

“Dertig mille per maand, inclusief een bemanning van acht.”

“Maar dan zijn we in drie maanden door ons geld heen!”

“En wat denk je dat er in die tijd binnenkomt?” Slootmans keek het zaaltje rond. “Nou?! Wat denk je dat radio Luxemburg krijgt? Duizend gulden voor tien seconden, meneer. En geen cent minder.”’

Staande de vergadering werd een bestuur aangesteld. Bep Slootmans kreeg de titel financieel directeur, Henk Oswald – hij beweerde een zender in elkaar te kunnen zetten – werd technisch directeur en Max Lewin secretaris. De oorlogsprofiteur, de sjoemelaar en de joodse onderduiker hadden elkaar gevonden. Na afloop van de vergadering mocht de laatste, als founding father, de pers te woord staan. Hij overdreef niet toen hij stelde dat het benodigde aanvangskapitaal van honderdduizend gulden ‘ruimschoots’ was toegezegd, maar toonde zich wel erg optimistisch door te stellen dat de V.R.O.N. binnen zes weken de lucht in ging, non-stop zelfs. Het officiële land van vestiging werd volgens hem Liechtenstein en het kaperschip ging varen onder Panamese vlag.

Niet iedereen deelde zijn geestdrift. ‘Wat is dit anders dan de piratenomroep van een boertje in de Achterhoek? Alleen door buiten ons grondgebied te gaan ontkomt men aan de wettelijke gevolgen’, fulmineerde NCRV-programmaleider Hoek. KRO-directeur Van der Made deed de V.R.O.N. af als ‘een ‘verderfelijk streven’. En VARA-secretaris Broeksz dacht dat het wel eens ‘een stoorzender zou kunnen worden voor een andere zender. Als ze dit in Nederland deden zou er gevangenisstraf op staan.’ Max genoot, in de wetenschap dat de Bond van Adverteerders wel gematigd positief had gereageerd, de PTT liet weten de omroep geen strobreed in de weg te kunnen leggen en Buma/Stemra zei niet in staat te zijn auteursrechten te vorderen. Hij gooide nog wat olie op het vuur. ‘De omroepen zullen een heleboel last van de V.R.O.N. gaan krijgen. Wij zullen zulke programma’s gaan maken dat de luisteraars niet meer op Hilversum zullen afstemmen. Wij zullen bovendien niet parasiteren op een gedwongen luisterbelasting, maar het Nederlandse volk en het Nederlandse bedrijfsleven gaan dienen.’

Voor de niet-ingewijde leek alles op rolletjes te lopen. Enkele journalisten mochten het eerste V.R.O.N.-testprogramma beluisteren. Het bestond uit een mengeling van dansmuziek en reclamepraatjes, verbaal aan elkaar geplakt door wat sollicitanten die graag op de radio wilden. ‘Met vriendelijke Noordzeegroeten’, klonk de afsluitende boodschap luchtig uit de boxen. Binnen de nog geen tien dagen oude, officieel nog niet eens opgerichte Bond van Vrije Radiohandelaren diende wel het een en ander gesust te worden. Meerdere leden gaven te kennen niets te voelen voor ‘een tweede Lutine’. ‘De naam van de Bond wordt misbruikt voor de wilde plannen van die piratenzender’, ageerde een Haagse verkoper. Slootmans, die zowel het Bonds-voorzitterschap als de leiding van de V.R.O.N. op zich had genomen, smoorde de oppositionele geluiden hardhandig: ‘Ik heb hen helemaal niet nodig.’

Bij de aandeelhouders van het eerste uur bevonden zich onder anderen de drie broers Verweij. Deze textielbaronnen annex elektronicaverkopers waren de meest gefortuneerden van het gezelschap, en daarmee onontbeerlijk om het experiment vorm te geven. Een andere kapitaalverstrekker uit die aanloopperiode had minder behoefte om zijn betrokkenheid aan de grote klok te hangen. De 66-jarige voormalige Obersturmführer en gewezen NSB-burgemeester van Apeldoorn Dirk Frans Pont kocht twee aandelen V.R.O.N. à vijfduizend gulden. Toen een opinieblad dankzij tipgever Max Lewin binnen enkele weken zijn minder glorieuze oorlogsverleden koppelde aan de jongste omroep, zag Pont zich genoodzaakt de waardepapieren van de hand te doen. Ze gingen naar de zus van zijn goede vriend Bep Slootmans.

Eind oktober had het bestuur nog geen boot voorhanden. Een eerdere optie om bij een Zaandamse rederij het vrachtschip Lijnbaan te huren maakte al snel plaats voor de wens om een vaartuig te kopen. Dat zou op termijn veel goedkoper zijn dan de maandelijkse 20.000 gulden die de verhuurder wilde hebben. Bovendien lag die inmiddels dwars. ‘Ik geloof dat we er beter van kunnen afzien’, zei reder De Jong tegen de Volkskrant. ‘Elke dag weer zeggen ze bij de V.R.O.N. uitsluitsel te geven over mijn offerte voor een half jaar charter van mijn kustvaarder, maar er gebeurt niets. Ik wil mijn schip niet onder Panamese vlag laten varen. Dat geeft veel rompslomp, extra kosten en bepaalde risico’s met overschrijven voor die paar maanden.’

De Haagse reclameacquisiteurs Hordijk en Beeuwkes wisten in het Noord-Duitse Emden een geschikt tweedehands lichtschip te koop. ‘Slootmans wilde het schip gaan bezichtigen en ik wilde mee’, zegt Max. ‘Maar dat mocht niet, onder geen beding. Ik mocht de echte prijs niet weten. Ik wilde controleren, en daar was hij niet van gediend.’ De V.R.O.N.-directeur reed in allerijl met medeaandeelhouder en vriend Philip Krant naar de Duitse werf. Het begeerde object, zestig meter lang, acht meter breed en zo’n vijftig jaar oud, moest 65.000 gulden kosten. Een spotprijs, vond Slootmans. Veel te veel voor een sloopschip, meende Max. Volgens hem sjoemelde Slootmans met de rekening. De aankoop betekende bovendien dat in één klap tweederde van het aandelengeld was besteed. Er zou nog een veelvoud nodig zijn om de Borkum Riff genaamde stoomboot te verbouwen en in te richten, maar daar wilde geen bestuurslid het over hebben. Nog niet.


Bep Slootmans, Henk Oswald en Max Lewin (1959)

   

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.