Wim van Norden, een leven lang courantier

Vandaag overleed Wim van Norden (97), de laatst overgebleven oprichter van dagblad Het Parool. Hij raakte in 1941 bij deze illegale krant betrokken. Eerst als redacteur, later als een van de drie leidinggevenden. Na de oorlog was hij, tot 1979, directeur van Het Parool. Ook legde hij het fundament voor De Perscombinatie, de uitgeverij van Het Parool, de Volkskrant en Trouw.
In 2013 mocht ik deze eloquente, prachtig formulerende oud-verzetsman twee keer thuis bezoeken. De eerste keer in februari, met Marjo Post (van Monumenten Spreken). De gespreksaanleiding was toen vooral mede-verzetsman Walraven van Hall. De tweede keer, tien maanden later, ging ik nogmaals langs, nu met Harm Botje (van Vrij Nederland). Ditmaal was Johan van Lom (alias ‘Van Arkel’) de aanleiding, een door Van Norden naar de Stichting 1940-1945 gehaalde jurist die wat later enkele illegalen zou verraden. Uit beide gesprekken heb ik enkele fragmenten geselecteerd, als bescheiden herinnering aan een dappere en aimabele denker en doener. 

Over de kennismaking met Johan van Lom:

“Die Johannes van Lom heb ik erbij gehaald. Van Lom was een assistent van advocaat [Jan] de Pont in Amsterdam. Wij hadden met Het Parool in 1944 een grote ramp gehad, door een brandje in een pakhuisje waar een nieuwe editie van Het Parool was opgeslagen voor distributie in het land. Het was nog voor Dolle Dinsdag. Eén van de brandweerlieden was een NSB’er die de SD gewaarschuwd heeft en zo een aantal van onze mensen te pakken had weten te krijgen. Tientallen mensen van onze interne organisatie. Wij waren doodsbenauwd. Door geluk waren wij met een klein clubje misschien aan arrestatie ontsnapt. Die anderen kwamen voor het gerecht. Dat was niet een Kriegsgericht, maar een civielrechtelijk proces in Utrecht.
Wij besloten dat wij daar toch een vinger achter moesten krijgen. Via het zakboekje van de – eerder ontsnapte – [mede-Parool-leider] Frans Goedhart kwamen wij aan een bevriende advocaat uit Hilversum die ons naar advocaat De Pont verwees. ‘Vraag hem of die jullie als advocaat wil bijstaan, want hij is geaccrediteerd bij het betrokken gerecht van de Duitsers in Utrecht.’ Daar werden verzetsmensen aangeklaagd. Het was wel een parodie op een rechtsgang, maar goed, je kon er misschien toch iets mee gedaan krijgen. Afgesproken werd dat ik dat zou aankaarten. Ik ben toen bij die De Pont op de Herengracht op bezoek geweest, onder een andere naam natuurlijk. Hij heeft dat voortreffelijk gedaan. Er zijn maar één of twee doodvonnissen uitgesproken. Een aantal is vrijgesproken en een aantal kreeg slechts een gevangenisstraf.
Toen nu een paar maanden later in Amsterdam de diverse verzetsbewegingen uit het land met elkaar samenwerking zochten, ook op advies van de regering in Londen, toen is daar ook het idee gekomen om te overleggen hoe we dat na de oorlog zouden gaan doen met de nabestaanden van de mensen die omgebracht zijn. Pensioenen en dergelijke, in een centrale aanpak. Er was een grote saamhorigheidsbehoefte. In dat overleg zei [de derde Parool-leider] Jan Meijer: ‘Kun jij niet eens vragen of die advocaat De Pont ons kan helpen met het uitdenken van een goed systeem?’ Dat wilde ik wel doen, dus ben ik naar die De Pont gegaan. Ik wist ook dat we een stichting moesten worden. Maar, zei De Pont: ‘Dat is niets voor mij. Ik heb met die Duitsers te maken en ik ben daar ingeschreven. Dan kan ik niet ook de vertegenwoordiger voor notabene die hele illegale verzetsbeweging zijn. Als daar maar het minste van uitkomt, hang ik. Maar ik heb een assistent, een hele goede jurist, die jullie wel kan helpen.’ Dus liet hij een jongeman verschijnen in zijn kantoor, dat was Van Lom. Een vriendelijke, aardige jongeman met zo’n Harris-tweedjasje met van die leren elleboogstukjes. Hij was een jongen uit de gegoede middenklasse, beetje intellectualistisch, netjes sprekend, goed gestudeerd.En die voelde er wel voor. Dat lag hem wel goed.
We maakten een afspraak en hij zei: ‘Ja, ik kan niet hier op kantoor met jullie overleggen.’ Want ik zei hem dat hij in het gremium van die top moest verschijnen om toch eens uit te leggen hoe dat gaat. Daar was hij hartelijk voor en hij was het helemaal met ons eens dat dat een goed systeem was, maar dat dat uitgewerkt moest. Hij zou dus de statuten uitwerken. ‘Het kan wel bij mij thuis.’ Dat was toen de Noorder-Amstellaan in Zuid, nu de Churchilllaan, gelijkvloers. Hij was getrouwd en had een paar kleine kindertjes. Ik ben er één of twee keer geweest, maar ben verder niet bij die bijeenkomsten geweest.”

Over Van Loms verraad:

“En toen gebeurde de ramp. Want Van Lom had een overspelige liefdesrelatie met een jonge vrouw die op een van die bovenkamers woonde, zo’n oorspronkelijk dienstbodekamer. Zij woonde daar als commensaal. Zij was iemand die een wijkje had voor Het Parool. Tjodina Tijmstra. Zij maakt een fout, wordt gearresteerd door de SD in de Euterpestraat. Dat wordt logischerwijze bekend bij Van Lom. Ze woonde immers bij hem boven in. En hij gaat verhaal halen bij [SD-man Friedrich] Viebahn. Hij kon vrij gemakkelijk een dergelijk gesprek aangaan, omdat hij dat vanuit het advocatenkantoor ook gewend was natuurlijk. Hij wist blijkbaar de toon. Hij maakte een deal. De deal was: jullie hebben deze vrouw voor een onbenullige overtreding, maar jullie nemen dat zwaar. Daarom wou ik je een aanbod doen om je de topmensen van alle illegale organisaties in handen te spelen. Als jullie daar tegenover twee dingen doen: jullie laten die vrouw vrij en vervolgen haar niet. En jullie zullen de mensen die door deze deal worden gepakt gevangen houden en niet executeren. En Viebahn heeft gezegd: ‘Ja. dat is akkoord.’
Daar kwam een bijeenkomst. Een aantal mensen was gelukkig verhinderd en Van Hall had helemaal geen bemoeienis met deze bijeenkomst. Ik was er alleen in het begin geweest om het in gang te zetten en Frans Goedhart kwam er ook niet, maar Jan Meijer kwam er wel, maar was er gelukkig die dag van de ramp niet. Het is precies zo gegaan als er tussen die booswichten is afgesproken. Die vrouw kwam vrij en dook meteen onder. En Van Lom rapporteerde: ‘Bij mij thuis is een inval geweest en al onze vrienden zijn gepakt.’ Het wekte zeer veel opzien in de hele illegale top natuurlijk. En hij bleef rondlopen van ‘o, wat vreselijk.’ Toen kwam dat grote vraagteken. Hoe kan dat toch? Want die Van Lom was voor ons toch een goudgerande figuur.
Wat er toen is gebeurd: de Duitsers hebben zich aan het pact van Van Lom gehouden. Ze hebben niemand geëxecuteerd, ze zijn allemaal waarschijnlijk hier in de gevangenis in De Balie terechtgekomen en ze zijn op 5 mei allemaal vrijgekomen.”

Over de dood van Johan van Lom:

“Een van die topmensen uit de gewapende verzetsgroep was [Wim] Sanders, die vanuit de politie in het verzet zat. Die zei: ‘Ik heb een heel vervelend bericht.’ Meijer, Goedhart en ik hebben hem ontvangen. Hij zei: ‘Wij vertrouwden niet dat Van Lom daar helemaal buiten stond. Het was zo verbluffend dat hij nu net ontsnapt zou zijn bij een overval in zijn eigen huis. We hebben hem ontvoerd en hem in een pakhuis bij Het Kolkje, bij de Zeedijk verhoord. In de kelder, met een soort veemgerecht. Daar heeft hij bekend dat hij de aanstichter van deze overval geweest is wegens, eh…, onbedwingbare liefdesgevoelens.’ Dat is dus een hele mooie, grote liefde. Een Abélard en Héloïse, als je het zo bekijkt. Maar dan moet je wel een grote afstand nemen.
Sanders vertelde verder: ‘We konden die man niet rond laten lopen, vooral niet omdat hij nu wist dat wij het wisten. En we konden hem ook niet gevangenzetten, om hem na de oorlog te berechten.’ Niemand wist hoelang de oorlog nog zou duren. Hij vertelde het ons zo ergens in februari. Van Lom moest dus verdwijnen. Een andere uitweg was er niet. Toen hebben ze hem een glas water met cyaankali voorgezet om zichzelf te doden. Maar dat weigerde hij. Sanders zei: ‘Het werd een zeer onsmakelijke.en vervelende, dramatische zitting, want wij waren met een aantal en Van Lom was alleen. Maar wij vonden dat wij hem niet konden laten lopen. Hij moest dood.’ En toen hebben ze hem doodgeschoten en daar ergens in de gracht gegooid.
Ik meen me te herinneren dat Sanders zei: ‘Als wij de gelegenheid zouden hebben gehad om hem in bewaring te stellen en na de oorlog volgens de regels van de rechtstaat te berechten als verrader…’ Maar dat kon niet. We wisten niet hoe lang het smartelijke lijden zou doorgaan. De hongerwinter was afschuwelijk. Mensen vielen dood op straat. Hij zei: ‘We hebben geen middelen om hem vast te houden. Hij gaat ontvluchten en dan wordt het nog erger.’ Sanders zei: ‘We hebben maar één oplossing en dat is dat hij zich na zijn bekentenis zelf van het leven beneemt. Maar dat heeft hij geweigerd.’ Dat is beschreven door Sanders en anderen die daar in de buurt waren. En toen  hebben ze het zelf gedaan, door een schot achter in zijn hoofd. Waar moesten ze met het lijk heen? Dat hebben ze toen in het Kattegat gegooid. Het verbaasde mij dat in de archiefstukken staat dat het lijk in de Keizersgracht werd gegooid. In mijn herinnering speelde het zich af in een van de pakhuizen aan de Zeedijk die met de achterkant aan het water staan.
Ik heb begrepen van Sanders dat zij een bevriende dominee naar mevrouw Van Lom hebben gestuurd en die heeft – zo werd het ons verteld – gezegd dat haar man bij een illegale actie was omgekomen. Zij wist niet beter dan dat er een overval bij haar thuis geweest was. En dat haar man een verzetstopman was. Later, veel later, heb ik gehoord dat die dominee toch veel meer heeft verteld.”

Over de herinnering aan Van Loms daden:

“Van Lom was geen verrader en misdadiger in mijn ogen. Ik was waarschijnlijk de enige in deze groep die zich daar mee bezighield, die dat vond. Liefde gaat boven alles, dat zul je in de geschiedenis voortdurend tegenkomen. Het is natuurlijk afschuwelijk en vreselijk, maar ik vind niet dat we daar een soort van heksenverhaal aan moeten verbinden. Alsof dat een cynische man was, die alleen maar uit was op die persoonlijke liefdesverhouding.
Ik voel natuurlijk de verantwoordelijkheid… – dat is een te groot woord -, maar wel de betrokkenheid voor wat er gebeurde. Ik heb Van Lom geïntroduceerd in de groep die hij later heeft opgeofferd. Voor zover mensen er iets van wisten, is hij door bijna iedereen altijd beschouwd als een booswicht, een onverantwoordelijke, immorele zoeker van eigen belangen. Vanwege de betrokkenheid bij die vrouw, die zijn minnares was. En daar heb ik nooit erg aan mee willen doen. Je hoeft Flaubert of Stendhal niet te lezen om te begrijpen dat de emotie die we liefde noemen alles opzij zet in de behoefte aan realisatie. Daarom heb ik het altijd een tragische held gevonden.
Waarom ik een ander oordeel heb? Misschien omdat ik hem gekend heb, verder vrijwel niemand.”

Over Loe de Jong en Hugo Brandt Corstius:

“Loe de Jong maakte er nogal een punt van dat Van Arkel alleen maar als zodanig bekend werd. Want dat je tegenover die vrouw en kinderen toch niet Van Lom als verrader de wereld in kon sturen. Ik herinner me nog dat deel 7 van Loe de Jong uitkwam. Loe de Jong stuurde mij altijd een exemplaar. ‘Voor Wim van Loe.’ En daarna stortte de publiciteit zich over zo’n nieuw deel, want daar stonden altijd sensationele dingen in. Toen werd ik ’s avonds, nadat deel 7 geloof ik uitkwam – waarin dit deel over Van Arkel beschreven staat -, gebeld door Hugo Brandt Corstius. ‘Zeg, ik heb het gelezen van Loe de Jong, waarom doet hij zo geheimzinnig over die Van Arkel? Dat is toch gewoon die Van Lom? Vertel eens, hoe zit dat?’ Toen zei ik dat dat niet kon, in verband met de vrouw en kinderen van die man. Daar heeft hij genoegen mee genomen. En dat terwijl het Brandt Corstius’ voornaamste vreugde toch was als hij een relletje mocht trappen. Een heel slimme, maar ook een boze man.”

Over Friedrich Viebahn:

“Ik weet niet of ik een van jullie verteld heb dat ik vlak na de bevrijding Viebahn als gevangene gesproken heb. Viebahn zei: ‘We wisten precies wie jullie waren en waar jullie woonden. En dat Reguliersgracht 109’, naast dit huis, ‘dat het een huis van de Parool-leiding was.’ Dat had hij van Van Lom. Viebahn, wat ik mij herinner, had in zijn kantoor een grote plaat hangen van de hele Amsterdamse illegaliteit, de verbindingen, wie het waren en ga maar door.”

Over Walraven van Hall:

“Ik heb heel veel gesproken met de broer van Walraven van Hall, Gijs van Hall, de burgemeester. Die zat met ons in een coterie. Ook van uitgaan. Van Hall zat bij ons in een soort curatorium voor die stichting die we gesticht hadden. Over Walraven van Hall vind ik het alleen een beetje een bezwaar dat er steeds alleen van hem gesproken wordt als een monopolist van nobele daadkracht. Maar er waren natuurlijk andere mensen die zich ermee bemoeiden. Ik dacht dat er een drietal was waar [Gijs] van Hall deel van uitmaakte. Piet Sanders, die een maand geleden op 100-jarige leeftijd overleden is, een week na zijn verjaardag. En de ander was Posthuma, een goeie man. En met deze twee mensen heb ik heel veel gesproken na de oorlog. En dan ging het ook wel over dit punt. Zo van: ‘Walraven van Hall was zo’n goeie vent. Was hij blijven leven, dan hadden we na de oorlog nog een heleboel dingen kunnen doen…’ Ja. Dat is napraten.”

Over de naoorlogse periode:

“Vanaf de bevrijding hebben wij, die zes of zeven mensen die de stichting Het Parool hebben gevormd, ons niet meer met de oorlog willen bemoeien. Met uitzondering van Frans Goedhart, als voorzitter van die stichting en tegelijkertijd als verguisd kandidaat-hoofdredacteur. Wij gingen door met de oorlog door Het Parool uit te geven. Dat was het enige wat ons interesseerde. Onze tijd en aandacht en de vele relaties uit de ex-illegale wereld daarvoor inzetten. We wilden niet aansluiten bij ex-politieke gevangenen, hoewel we ook in de bak hadden gezeten. Dat was iets voor de communisten en de christenen.”

WimvanNorden (februari 2013)
Wim van Norden
(Bussum, 13-6-1917
Amsterdam, 29-5-2015)

 

 

 

 

 

1 reactie op “Wim van Norden, een leven lang courantier”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *