Tweehonderd jaar Klaas Ris, oproerkraaier uit Westzaan

Klaas Ris, op 7 april 1821 geboren in Westzaan, was een echte oproerkraaier. De brutale, maar humoristische molenaarsknecht daagde de koning uit, beledigde de burgemeester en bestookte de overheid met pamfletten en aanklachten. Hij groeide uit tot een arbeidersleider die mede aan de wieg stond van socialistische partijen, vakbonden en de kiesrechtbeweging. Om zijn doel -een rechtvaardig Nederland- te bereiken, werkte hij samen met grootheden als Domela Nieuwenhuis en Multatuli. Vanwege zijn tweehonderdste verjaardag vandaag een hoofdstuk uit mijn mini-biografie Klaas Ris. Nestor van de Nederlandse arbeidersbeweging.

‘DEZULKEN ZIJN GEVAARLIJKER DAN CHOLERA’

Het leven lacht Klaas en Anna Ris niet toe. Ze worden weliswaar verblijd met vijf dochters, maar geld voor een fatsoenlijk bestaan komt nog altijd slechts mondjesmaat binnen. Hun huisvesting is onder de maat en de arbeid in en om de molen blijft zwaar. In Multatuli’s boek Ideën II mag Ris zijn hart luchten. Het leidt tot vermoedelijk het eerste interview ooit met een Nederlandse arbeider.

Multatuli: “Gij hebt op uw begroting 40 centen ’s weeks opgebracht voor sigaren, scheren, borrels en tabak…” Ris: “Ja. Maar zeer dikwijls doe ik deze uitgaaf niet. Ik gebruik zeer zelden, en dan nog weinig, jenever. Veel zou ik ook niet kunnen betalen. Maar ik beken dat ik soms voel een opwekking nodig te hebben, om niet moedeloos te worden.”
Multatuli: “Kan uw vrouw niets verdienen?”
Ris: “Als zij kan, gaat zij uit schoonmaken, en verdient dan acht stuivers. Maar daarop kan niet worden gerekend, omdat er niet altijd ‘huizen’ zijn, en ook omdat zij zich overwerkt heeft, en bovendien geplaagd is met reumatiek.”

Multatuli werpt zich vervolgens op als beschermheer. “Van heden af ben ik de vertegenwoordiger van die arme. De regering draagt geen kennis van de behoefte des volks? Ik zal haar die behoefte doen kennen. En als ’t tijd is, zal ik haar bericht doen van de eisen des volks. De arme die stom was, zal voortaan spreken. De hongerlijdende bevolking van Nederland zal niet langer zwijgend hongerlijden.”

Klaas Ris etaleert zijn door Eduard Douwes Dekker gesteunde zoektocht naar ‘recht voor de werkman’ op alle mogelijke manieren. Wanneer hij zijn getuigenis aflegt voor de eerder genoemde enquêtecommissie klinkt verbittering door over het weinige dat hij heeft geoogst: “Stel u voor dat ik vijf, zes kinderen bezit, en ik geen zolen onder mijn schoenen heb, wat moet ik doen? Ik mag niet bedelen, en werk is er niet. Ik mag niet eens op mijn kamer gaan zitten doodhongeren, omdat de huisbaas dat niet hebben wil. Ga ik op straat zitten, dan komt de politie er tegen op. Ben ik toch geen Nederlander? Heb ik geen recht om te leven, welnu, maak mij dan af als een ziek stuk vee.” Hij beschrijft zijn beperkte carrièreperspectief bij Van Gelder. “Hoe meer de patroon vooruit ging, hoe slechter de toestand van het werkvolk werd. Toen ik er kwam, was er één molen. Naderhand kwam er nog een bij, en later weder een molen door stoom gedreven. Het kantoor van de patroon werd groter, ook zijn verdiensten, maar de toestand van het volk steeds slechter.”
Ondertussen klimt Ris wel gestaag omhoog binnen de hiërarchie van de arbeidersbeweging. Zodra hij zich als schrijver begint te manifesteren, verandert hij van anonieme arbeider in toonzettende dwarsligger. Zijn debuut als pamflettist, in april 1864, smaakt naar meer. Elk jaar verschijnen er in eigen beheer wel een of twee strijdlustige analyses van zijn hand. Binnen het Amsterdamse proletariaat blijkt behoefte te bestaan aan zijn pennenvruchten en hardnekkig geroep om gelijke rechten. En Ris is niet te beroerd om het strovuurtje aan te wakkeren. Zijn pamfletten bestaan meestal uit acht tot veertien pagina’s met goed doordachte venijn en spot. Op het voorblad van de zoveelste open brief over en tegen de brandweer schrijft hij in 1864 of 1865:

“Wat de heren wijzen
Moeten de gekken prijzen.
Maar:
Wat de gekken wijzen,
Wil ik niet prijzen.”

En een tekst uit diezelfde tijd voor burgemeester en wethouders van Amsterdam begint met:

“Is dat des Burgemeesters geloof?
Ziende blind en horend doof?”

Die humor en het volstrekte gebrek aan autoriteitenvrees kenmerken Ris’ aanpak. Nog voor Marx’ Eerste Internationale in Nederland voet aan de grond krijgt, zorgt Klaas Ris met zijn eigenzinnige aanpak voor rumoer. In 1866, het jaar dat de eerste landelijke vakbond ontstaat -die van de typografen-, constateert Ris al in een brochure: “De werkman vermag met geld niet veel, maar als hij zijn algemene krachten verzamelt, dan is hij de sterkste van allen.” Het wordt zijn levensmotto.

Op 3 maart van dat jaar wordt in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt een drukbezochte vergadering gehouden. Het thema luidt: “Hoe moeten de arbeiders-verenigingen hier te lande worden ingericht en tot stand gebracht?” Ook Klaas Ris is aanwezig. Hij laat na afloop weten weinig te zien in de bepleite inkoopcoöperaties, maar des te meer in forse loonsverhogingen. Al is het maar omdat de arbeiders dan in staat zijn het kwartje entree voor Samuel Sarphati’s gloednieuwe Paleis voor Volksvlijt te betalen. ‘Een jodenstreek’ noemt hij de hoge toegang. Triest is het, zo constateert hij, dat de arbeiders nog niet in staat zijn om een fatsoenlijke vakvereniging van de grond te krijgen. Dat gebrek aan samenwerking ten spijt suggereert hij wel om in Amsterdam ‘eenparig het werk [te] staken’.

Klaas Ris, getekend door Johan Braakensiek (IISG)

In mei 1868 verschijnt het eerste (proef-)nummer van het Amsterdamsch Volksblad. De makers ervan willen opkomen voor de belangen van neringdoenden, ambachtslieden en andere laagbetaalden. De auteurs leveren in de tweede editie een praktisch idee om de woningnood aan te pakken. “Richt een fonds op tot het bouwen van burgerwoningen; zondert slechts 10 cents per week af, en wanneer 5000 uwer dit één jaar gedaan zullen hebben, onder toezicht van een praktische volksvriend, zult gij een kapitaal in kas hebben om te kunnen beginnen.” Het simpele plan leidt binnen enkele maanden tot de Bouwmaatschappij ter verkrijging van Eigen Woningen. De leden betalen wekelijks een dubbeltje en beschikken zodoende na een klein jaar over een aandeel van ƒ5,-, goed om mee te loten naar de te bouwen huizen. Een winnend lot geeft recht op een woning met een lage huur, slechts ƒ1,- per week. Na twintig jaar mag de huurder zich bovendien eigenaar noemen van dit onderkomen met tuin.

Voor de Amsterdamse arbeiders, dan nog met hun gezinnen opeengepakt in kelders en zolders, klinkt het aanbod als een utopie binnen handbereik. Geen wonder dat Klaas Ris het idee omarmt. In het Amsterdamsch Volksblad heeft hij ‘de bezitters’ al gewaarschuwd voor de dag dat ‘het volk, door honger gedreven, genoodzaakt wordt te handelen’. Hij heeft het gevoel dat de revolutie nabij is en het gepresenteerde woningbouwplan past daar naadloos in.

De bevolking wordt met aanplakbiljetten opgeroepen om op 2 november naar het op de Nieuwendijk gevestigde lokaal De Zwaan te komen. Daar vindt de publieke oprichting plaats van de Bouwmaatschappij. Meer dan zevenhonderd Amsterdammers vullen die maandag de zaal, de binnenplaats en zelfs de straat voor het gebouw. Onder hen bevinden zich Ris’ echtgenote en zijn dochters Neeltje, Margo en Heintje. Klaas zelf behoort tot de mannen die de massa toespreken. Met succes. Vier- tot vijfhonderd mensen worden nog dezelfde avond lid van de Bouwmaatschappij. In de dagen erna groeit de stroom sympathisanten tot ruim 1100 en een half jaar later zijn het er zelfs tweeduizend.

In 1871 wordt de eerste steen gelegd voor de allereerste woning van de maatschappij. Het huisje ligt aan een zijstraatje van de Mauritskade. Na loting blijkt Klaas Ris als winnaar uit de bus te komen. Het ongelooflijke toeval dat een van de oprichters van het coöperatieve spaarplan meteen in de prijzen valt, leidt niet tot protesten. Het zegt iets over de positie die de molenaarsknecht inmiddels heeft verworven.


Waardeer dit artikel

De content op deze website is in en uit principe gratis, maar het maken ervan kost wel geld. Vond je het de moeite waard? Laat het blijken met een kleine bijdrage en help bij het mogelijk maken van onafhankelijke artikelen.

Bedrag



Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *