Bestaan er Zaanse slavenschepen (2)

Het college van Zaanstad wilde aanvankelijk geen geld uittrekken voor een onderzoek naar de Zaanse betrokkenheid bij slavernij en kolonialisme. Dat was een gemiste kans en een historische vergissing. Een raadsmeerderheid vond dat ook; het onderzoek komt er dus alsnog. Laat ik alvast een voorzetje geven, in de vorm van een reeks artikelen over het Zaanse slavernijverleden.
Vandaag deel 4 van een wekelijkse serie: Vrijheid als relatief begrip.

Middelburgse Commercie Compagnie

In hetzelfde jaar dat de Middelburgse Commercie Compagnie in de Zaanstreek drie schepen bestelde, waarvan er twee Spaans-Amerika en Suriname als bestemming kregen (zie deel 1), zocht ook het Rotterdamse handelshuis Beyerman deze regio op. De firma hield zich bezig met walvisvaart. Voor hun expedities maakten ze gebruik van middelgrote, in de Zaanstreek gebouwde fluitschepen. Soms huurden of kochten ze boten bij Zaanse scheepmakers als Adriaan Jacobsz Dam en Jan Louwe de Jonge. Louwe (ook wel Louwers genoemd) verhuurde onder meer driemaal het fluitschip Vrijheid/Vrijheyt aan Beyerman.

De door Zaandammer Pieter Cornelisz Louwe voor het handelshuis Beyerman gebouwde walvisvaarder De Jonge Everardus (Royal Museum Greenwich).

Elmina

Op 6 november 1720 verkocht Louwe de Vrijheid (‘lank 112 voet 7 duijm wijt 29 voet 7 duijm hol, 12 voet 6 duijm het dek hoog’) aan de West-Indische Compagnie. Het vaartuig zeilde vervolgens bijna routinematig heen en weer naar en van zuidelijk Amerika. Zo is in het logboek van de Vrijheid te lezen dat in 1723 in het Ghanese Elmina 419 slaafgemaakten aan boord werden gebracht, van wie er bij aankomst in Sint Eustatius nog 375 over waren (lees: in leven). In 1726 moesten er met de Vrijheid 378 slaafgemaakten van Elmina naar Paramaribo (vier overleefden de reis niet). In 1731/’32 werd dezelfde reis gemaakt, met 647 dwangarbeiders (onderweg stierven 78 mensen). 1733/’34: van de ‘Slavenkust’ naar Suriname met 635 van hun menselijkheid ontdane slachtoffers (76 doden). En tot slot was er de reis van Ghana naar Suriname in 1736 met 670 slaafgemaakten – ‘kroesvee’ werden ze genoemd – in het ruim (van wie er tachtig de eindbestemming niet haalden). Wie of wat de Vrijheid na 1736 vervoerde is onbekend.

1733/’34: van de ‘Slavenkust’ naar Suriname met 635 van hun menselijkheid ontdane slachtoffers (76 doden).

2749 slaafgemaakten

Alleen al met dit ene Zaanse schip zijn dus minstens 2749 geketende Afrikaanse bewoners als goederen afgevoerd naar de andere kant van de oceaan. Dat is ongeveer 1% van alle door de WIC gedeporteerde slaafgemaakten. Dat van deze 2749 mensen ruim tien procent onderweg stierf en vervolgens in zee werd gedumpt, zal ongetwijfeld als ‘collatoral damage’ zijn beschouwd.

Het Britse slavenschip Brookes in 1877 (Library of Congress).

‘Niet uitgesloten is dat meer voormalige Zaanse walvisvaarders tot slavenhalers zijn verbouwd, maar hoeveel is onbekend’, schreven Piet Kleij en Victor Enthoven in het blad Zaans Erfgoed (september 2023). Zij pleitten voor nader historisch onderzoek. Dat lijkt me een goed idee. En wellicht kan dan ook worden gekeken naar eventuele Zaanse schepen die gebouwd werden om de machtspositie van de WIC op slavernijgebied te handhaven. Laat ik dat laatste illustreren met een voorbeeld.  

Lorrendraaiers

De West-Indische Compagnie ondervond enorme concurrentie van zogenoemde lorrendraaiers. Dat waren veelal Zeeuwse schippers die het compagniemonopolie niet erkenden en illegaal handel dreven op West-Indië, oftewel Suriname en de Nederlandse Antillen. Historicus Ruud Paesie berekende dat deze smokkelaars tussen 1674 (het oprichtingsjaar van de tweede WIC) en 1730 (toen het handelen op West-Afrika werd vrijgegeven) 55.000 tot 60.000 slaven van Afrika naar Zuid-Amerika deporteerden. Ze verkochten deze gevangenen onder de reguliere prijzen, omdat ze bijvoorbeeld geen kosten hadden aan te onderhouden forten langs de Afrikaanse kust. De handel bleef overigens niet beperkt tot mensen. Ze sloegen aan de Afrikaanse westkust ook ivoor, goud en specerijen in. De concurrerende lorrendraaiers waren de WIC uiteraard een doorn in het oog.

De Faam

Schippers van WIC-schepen kregen de order mee om de kruisende lorrendraaiersschepen (plus de Portugese vaartuigen die slaafgemaakten smokkelden) te bestrijden en in beslag te nemen. In 1714 besloot de West-Indische Compagnie om een nieuw fregat aan te schaffen waarmee de illegale slaven- en goederenhandel kon worden bestreden. Na wat prijsvergelijkingen viel de keus op De Faam, een 115 voet lang fregat dat in Zaandam te koop was. Het ging na enig onderhandelen voor 31.000 gulden over naar de nieuwe eigenaars. Het dek van De Faam werd aangepast, de scheepshuid ter bescherming tegen vijandelijke schoten verdubbeld. Er kwamen een vuur werende stenen muur en nieuwe zeilen. Daarna was het schip, met ruim honderd bemanningsleden aan boord, klaar om de vijand tegemoet te varen en de belangen van de West-Indische Compagnie veilig te stellen.

Na wat prijsvergelijkingen viel de keus op De Faam, een 115 voet lang fregat dat in Zaandam te koop was.

Het fregat maakte twee kruistochten naar West-Afrika. Toen ging het mis. In december 1718 brak er een gevecht uit tussen De Faam en een schip met lorrendraaiers. De laatsten wisten het van oorsprong Zaanse WIC-vaartuig in de kruitkamer te raken. Het zonk vrijwel meteen naar de zeebodem. Het merendeel van de bemanning verloor het leven. In Zeeland ging gejuich op toen het bericht over de ondergang van De Faam de Republiek bereikte.

Het West-Indisch Huis, het WIC-hoofdkwartier in Amsterdam (Wikipedia).

Juffrouw Elisabeth

De WIC deed graag zaken in de Zaanstreek. In hun boek Scheepsbouw en Scheepvaart in de Zaanstreek (2023) noteerden Ton van der Horst en Sander Wegereef een tweede compagniebestelling. In 1720 liep het fluitschip Juffrouw Elisabeth bij Zaandammer Jan Leenderts van de helling. De WIC-kamer Amsterdam betaalde er 10.500 gulden voor. De bewindvoerders van de West-Indische Compagnie kochten overigens niet alleen voor deze multinational, maar ook voor zichzelf. Van der Horst en Wegereef noemen de verkoop van het fluitschip Jonge Pieter (1733), dat naar de Amsterdamse WIC-bewindhebber Philippus d’Orville ging. Deze koopman was ook geruime tijd boekhouder voor vijf in Zaandam gebouwde walvisvaarders.

Victor Enthoven en Piet Kleij schatten het aantal Zaanse schepen dat naar West-Indië voer op een paar honderd. Exactere cijfers zijn nog niet voorhanden. Daarvoor is nader onderzoek nodig, zowel naar de aantallen als naar wie en wat ze vervoerden. Maar dát de Zaanstreek een stevige rol had in de leveringen die de koloniale gebieden als bestemming hadden staat al vast.


Waardeer dit artikel

De content op deze website is in en uit principe gratis, maar het maken ervan kost wel geld. Vond je het de moeite waard? Laat het blijken met een kleine bijdrage en help bij het mogelijk maken van onafhankelijke artikelen.

ValutaBedrag





Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *