De rijkdom van de koloniale kapitein Schooneveld

Het college van Zaanstad wilde aanvankelijk geen geld uittrekken voor een onderzoek naar de Zaanse betrokkenheid bij slavernij en kolonialisme. Dat was een gemiste kans en een historische vergissing. Een raadsmeerderheid vond dat ook; het onderzoek komt er dus alsnog. Laat ik alvast een voorzetje geven, in de vorm van een reeks artikelen over het Zaanse slavernijverleden.
Vandaag deel 5 van een wekelijkse serie: Kapitein Jurriaan Schooneveld.

Collecteschaal en kroonluchter

In deel 3 en 4 van deze serie ging het vooral over de bouw van Zaanse schepen waarop óf slaafgemaakten van Afrika naar de andere kant van de Atlantische Oceaan werden gedeporteerd óf waarmee door deze lijfeigenen geproduceerde artikelen werden vervoerd. Maar de Zaanstreek was niet alleen afnemer en leverancier van de half- en eindproducten die de mensenhandel overeind hielden. De regio had ook personeel in de aanbieding dat deze bedrijfstak liet floreren. Jurriaan Manus Schooneveld was onder hen een van de bekendste.

Schooneveld (ook wel geschreven als Jurriaan Manussen Schoonevelt en Jurge Manesse Schonevelt) werd op eerste Kerstdag 1723 ingeschreven als inwoner van Zaandam. De uit Lübeck overgekomen vrijgezelle scheepskapitein was welgesteld. Dat blijkt mede uit de zilveren collecteschaal en koperen kroonluchter die hij in respectievelijk 1727 en ’28 schonk aan de Lutherse kerk in de Vinkenstraat. Daar zijn deze voorwerpen nog altijd te vinden. De gulle gever liet de schaal onder meer inscriberen met de zin: ‘Voor eerst de Siel tot nut, en aan den Armen Leden’. Die wens gold overigens niet alle zielen en armen. Schooneveld verdiende zijn kapitaal namelijk over de ruggen van slaafgemaakten.

De door Jacob Schooneveld geschonken kroonluchter in de Lutherse kerk (Gemeentearchief Zaanstad).

In 1733 trouwde Schooneveld met Stijntje Klaas Prins uit Zaandam. Ook zij was niet arm. Van een eerdere echtgenoot had ze een paar huizen en een houtzaagmolen geërfd. Het echtpaar betrok een huis aan het Dampad. Jurriaan Schooneveld was vaker niet dan wel bij zijn echtgenote. Het merendeel van de tijd verbleef hij voor zijn werk in overzeese gebieden. Het huwelijk zou overigens maar zo’n tien jaar standhouden. In januari 1744 stierf de 53-jarige Stijntje aan een ‘algemene verstopping der klieren’.

Tussen 1724 en 1755 zeilde Schooneveld vanuit Zaandam maar liefst twintig keer naar dat Nederlandse wingewest.

Jean Nepveu

Na haar dood liet Schooneveld bij de Zaandamse werf van Tewis Lijnse Rogge (hij komt in een later hoofdstuk nog ter sprake) een fregat bouwen, de Vrouwe Anna Maria. Daarmee voer hij als vanouds naar zijn belangrijkste reisbestemming, Suriname. Tussen 1724 en 1755 zeilde de kapitein vanuit Zaandam maar liefst twintig keer naar dat Nederlandse wingewest. Niet alleen met goederen, soldaten en andere passagiers (onder wie de bekende plantage-eigenaar Daniël Pichot en de latere gouverneur van Suriname Jean Nepveu), maar ook om er het beheer te voeren over zijn plantage Jericho. De naam van deze suikerplantage zou later opduiken in boeken van Astrid Roemer en Cynthia McLeod. Jericho mat zo’n zeshonderd hectare. Ter vergelijking: het Hembrugterrein in Zaandam omvat ruim veertig hectare.

Jean Nepveur in 1770 (Rijksmuseum).

In haar historische en inmiddels klassieke roman Hoe duur was de suiker schreef McLeod onder meer de volgende zinnen over Jericho: ‘Op deze plantage was er twee weken eerder een opstand uitgebroken onder de slaven. Ze hadden het riet op de velden in brand gestoken en ook het magazijn en de suikermolen. De schade was beperkt gebleven tot een gedeelte van de velden, het magazijn was verbrand, de suikermolen had men kunnen redden, allemaal doordat er militairen te hulp waren gekomen, die op een post in de buurt waren, en doordat de opzichter Vredelings, meteen met zijn geweer de aanvoerders had doodgeschoten. Als afschrikmiddel was het hoofd van de voornaamste aanvoerder op een stok gestoken en midden in het slavendorp geplaatst.’

De lading van een door Jurriaan Schooneveld in 1733 naar ‘Zuriname’ geleid schip (Stadsarchief Amsterdam).

Manus Pieter

Plantagebezitters namen soms slaafgemaakte bediendes mee naar Nederland. Zo ook Schooneveld. In 1754 bracht hij een oudere zwarte man over uit Suriname. Hij kreeg de naam Manus Pieter en werd als onvrijwillige migrant in Nederland – waar slavernij niet was toegestaan – op papier een vrij man. Op 16 juni 1754 werd hij in de Lutherse kerk van Zaandam gedoopt (waar eerder al Schoonevelds met zijn tweede echtgenote verwekte zonen Jacob en Claes hun doop ondergingen). Over het leven van Manus Pieter is verder amper iets bekend. De Hollandse naam van deze als ‘bejaarde moor’ geregistreerde man lijkt te zijn afgeleid van de getuigen die bij de doop aanwezig waren: Jurriaan Manus Schooneveld en Pieter Stoel. Het kan zijn dat hij de eerste Zaanse bewoner van kleur was.

Het doopbewijs van Manus Pieter (Gemeentearchief Zaanstad).

Netwerk

Tijdens zijn verblijf in Nederland verkeerde Manus Pieter in een merkwaardige positie. Sinds de 13de eeuw bestond er binnen Nederland geen slavernij. Eenmaal in Nederland konden slaven dus op legale wijze aan hun eigenaars ontkomen. Maar dan? De weinige zwarte aanwezigen in het land hadden geen netwerk, kenden de plaatselijke regels niet en waren dus tamelijk machteloos. De dagelijkse praktijk bleef uitzichtloos.

Eenmaal in Nederland konden slaven op legale wijze aan hun eigenaars ontkomen. Maar dan?

Twee dagen na de doopplechtigheid voor Manus Pieter was Jurriaan Schoonveld alweer bezig met de voorbereidingen voor een reis naar Suriname. Het was een van zijn laatste tochten. In het najaar van 1757 bezocht de dokter hem meer dan twintig keer op zijn huisadres. Zijn hulp was vergeefs. Schooneveld overleed in oktober van dat jaar in Zaandam.

Armoedeval

Na zijn dood werd de kapitein bijgezet in de Lutherse kerk. Zijn overlijden betekende een armoedeval voor echtgenote Maartje. Het lukte haar niet om de Surinaamse beleggingen te gelde te maken. Plantage Jericho werd blijkbaar niet meer beheerd. Het terrein verloederde snel, zo blijkt uit een brief d.d. 16 maart 1763: ‘De verlatene plantagie Jerigo van capt. Juriaan Schonevelt moet binne de tijt van 6 maande weder opgevat werden om weder beplant en bewoont te worden, off anders vervalt deselve aan ’t land.’

Een gebrandschilderd raam in de Lutherse kerk met de afbeelding van een scheepswerf (Gemeentearchief Zaanstad).

Datzelfde jaar begon Maartje Schooneveld op grote schaal geld te lenen, maar ze slaagde er niet in om de schuldeisers terug te betalen. De weduwe stierf uiteindelijk armlastig. Opvallend detail: met een deel van het geld dat resteerde uit zijn vaders erfenis werd de uitrusting van Claes Schooneveld betaald. Hij trad namelijk in de voetsporen van zijn vader. Niet door zijn geld te verdienen met het uitbuiten van mensen in Suriname, maar door in 1768 met de Vereenigde Oostindische Compagnie naar een andere Nederlandse kolonie te varen, Nederlands-Indië.


Waardeer dit artikel

De content op deze website is in en uit principe gratis, maar het maken ervan kost wel geld. Vond je het de moeite waard? Laat het blijken met een kleine bijdrage en help bij het mogelijk maken van onafhankelijke artikelen.

ValutaBedrag





Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *