Zaanse plantagenamen

Het college van Zaanstad wilde aanvankelijk geen geld uittrekken voor een onderzoek naar de Zaanse betrokkenheid bij slavernij en kolonialisme. Dat was een gemiste kans en een historische vergissing. Een raadsmeerderheid vond dat ook; het onderzoek komt er dus alsnog. Laat ik alvast een voorzetje geven, in de vorm van een reeks artikelen over het Zaanse slavernijverleden.
Vandaag deel 13 van een wekelijkse serie: De Zaanse plantagenamen.

Plantage Crommenie

De Zaanstreek is zichtbaar in de namen van voormalige slaafgemaakten. Binnen en buiten Suriname leven ook nu nog vele tientallen mensen met een achternaam die herinnert aan de voormalige gemeenten rondom de Zaan. Maar er bestonden ook Surinaamse plantagenamen die gekoppeld waren aan dit stukje Noord-Holland. Het waarom van die vernoeming is onbekend, zoals het verhaal van plantage Crommenie laat zien.

Plantage Crommenie op een kaart uit 1801.

Crommenie (ook wel geschreven als ‘Krommenie’) mat volgens een aantekening uit 1771 zeshonderd akkers, oftewel een kleine driehonderd hectare. Door een herverdeling kwamen daar later nog tientallen hectares bij. In 1771 werkten er 45 slaafgemaakten op Crommenie. Ze moesten zorgen voor de teelt en oogst van bananen, cassave en koffie. Een kleine eeuw later, bij de opheffing van de slavernij, resteerde er nog maar één slaafgemaakte. Eigenaresse Johanna Catharina Houtman-Heidweiller (ook wel geschreven als Hartmann-Heitweiler) ontving driehonderd gulden als tegemoetkoming voor het verlies van haar lijfeigene. Diens naam is onbekend.

Hendrik Talbot

De geschiedenis van deze plantage begon rond 1718. De uit Den Haag afkomstige grootgrondbezitter Hendrik Talbot kocht toen de buurplantage Overbrug en vroeg meteen een leeg perceel aan dat daar zuidelijk van lag. Hij gaf het nieuwe bezit de naam ‘Crommenie’. Dit stuk land bevond zich op de plek waar tot een halve eeuw eerder de Engelsen – die het daar toen nog voor het zeggen hadden – de hoofdstad van Willoughbyland situeerden, het latere Suriname. Die hoofdstad kreeg de naam Thorarica. Na de verovering van Suriname door Nederland, in 1667, werd Paramaribo de hoofdstad.

Meetkaart van plantage Crommenie uit 1771, hier 684 akkers groot, met in de linkerpunt als bebouwing een ‘coffeloge’.

In de overeenkomst die de landoverdracht bezegelde, stond de bepaling dat Talbot en zijn medewerkers ‘niets vermogen te doen tot nadeel van de indiaanen’. Voor de dwangarbeiders die hem dienden, gold dat uiteraard niet. Zij stonden in vele opzichten buiten bescherming van de wet. Slaafgemaakten die de plantage ontvluchtten, maar werden gepakt, wachtte zweepslagen. Bij herhaalde ontsnappingspogingen werd wel overgegaan tot een beenamputatie, het doorsnijden van een achillespees of het afsnijden van de neus of een oor. Soms werd de doodstraf toegepast, die veelal op gruwelijke wijze ten uitvoer werd gebracht.

Bij herhaalde ontsnappingspogingen werd wel overgegaan tot een beenamputatie, het doorsnijden van een achillespees of het afsnijden van de neus of een oor.

Suikerplantage Sardam

Suikerplantage Sardam was met zijn 1619 akkers een stuk groter dan Crommenie. Tussen 1737 en 1863 kende dit grondgebied zeven verschillende eigenaren, maar geen van hen lijkt een bijzondere band te hebben gehad met Zaandam. In de achttiende eeuw waren er meer dan tweehonderd slaafgemaakten tewerkgesteld.

Plantage Sardam.

Op de oudste bekende foto uit Suriname, uit 1845 of ’46, is Maria Louisa de Hart zichtbaar. Zij werd twintig jaar eerder geboren op Sardam. Maria’s moeder Carolina Petronella was slaafgemaakt, haar vader Amsterdammer koopman Mozes Meyer de Hart. Hij kocht in 1827 Carolina en haar pasgeboren dochter vrij. Op het portret zit naast Maria de man met wie ze zojuist is getrouwd, Johannes Ellis. Hij werd geboren in Elmina, het centrum van de slavenhandel in Ghana. Ellis was een buitenechtelijke zoon van de Ghanese Fanny en de Nederlandse koloniale bewindsman Abraham de Veer.

Maria Louise de Hart en Johannes Ellis (Rijksmuseum).

Eerste minister

Hoewel de slavernij dus ingebed was in dit echtpaar van kleur ontsnapten zij door toeval aan het lot van duizenden om hen heen. Sterker, als gevolg van hun witte, rijke vaders groeiden zij op in welstand. Tot hun privileges behoorden ook tien huisslaven. Die werkten in hun woning in Paramaribo. In 1860 vertrok het echtpaar naar Nederland. Hun zoon Abraham George zou in Suriname de eerste minister van Surinaamse afkomst worden. De erven De Hart mochten zich de eigenaars noemen van plantage Sardam.

Plantage Sardam in het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden.

Niet uniek

Aan de plantages Sardam en Crommenie zijn dus bijzondere verhalen verbonden. Hun namen waren overigens niet uniek. Suriname kende ook – om maar in Noord-Holland te blijven – plantages als ‘Amsterdam’, ‘Purmerend’, ‘Haarlem’, ‘Alkmaar’ en ‘Monnikendam’. In de koloniale gebieden werden overigens aanzienlijk meer Nederlandse plaatsen niet dan wel vernoemd. Waarom Zaandam en Krommenie een plek kregen in het selecte gezelschap plantages dat werd toebedeeld met een gemeentenaam, is vooralsnog een raadsel.


Waardeer dit artikel

De content op deze website is in en uit principe gratis, maar het maken ervan kost wel geld. Vond je het de moeite waard? Laat het blijken met een kleine bijdrage en help bij het mogelijk maken van onafhankelijke artikelen.

ValutaBedrag





Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *