De Zaanse VOC-banden

Het college van Zaanstad wilde aanvankelijk geen geld uittrekken voor een onderzoek naar de Zaanse betrokkenheid bij slavernij en kolonialisme. Dat was een gemiste kans en een historische vergissing. Een raadsmeerderheid vond dat ook; het onderzoek komt er dus alsnog. Laat ik alvast een voorzetje geven, in de vorm van een reeks artikelen over het Zaanse slavernijverleden.
Vandaag deel 14 van een wekelijkse serie: De banden met de Vereenigde Oostindische Compagnie.

Nederlands-Indië

Er is de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan naar slaafgemaakten die naar ‘de West’ werden gedeporteerd. Daardoor dreigt de slavenhandel die gekoppeld is aan Azië onderbelicht te blijven. Niet uit het oog verloren mag worden dat de Zaanstreek zowel van de trans-Atlantische slavenhandel als van de inzet van slaafgemaakten in Nederlands-Indië profiteerde. Met name in het hoofdstuk over de Zaanse rijst- en cacao-industrie heb ik hier al aandacht aan besteed.

Tijdens het bestaan van de Vereenigde Oostindische Compagnie, van 1602 tot 1800, werden 660.000 tot 1.135.000 slaafgemaakten ingezet in de landen en regio’s die onder de VOC vielen. Een relatief klein aantal van hen werd door deze naamloze vennootschap zelf verhandeld: tussen de 37.000 en 53.000 mensen. De meeste gevangenen waren ‘private handel’ door dienaren van de VOC, die deze vorm van mensenhandel flink stimuleerde.

Scheepsbouw

Net als de WIC deed de VOC met enige regelmatig zaken in de Zaanstreek. Laat ik dat staven met wat voorbeelden, zonder daarbij ook maar in de buurt van volledigheid te willen en kunnen komen. Ik begin met de scheepsbouw.

Voor rekening van de VOC-kamer Amsterdam liep rond 1660 in Zaandam de Nagelboom van de helling, een oorlogsschip. Andere VOC-bestellingen betroffen onder meer het spiegelschip Achilles (1655), de fluitschepen De Vreede (1679) en Vier Gebroeders (1785) en de hoekers Zaanstroom (1785) en Zeeploeg (1787). In het blad Zaans Erfgoed (september 2002) stipte stadsarcheoloog Piet Kleij aan dat van de ruim veertig teruggevonden VOC-scheepswrakken er zeker twee in Zaandam gebouwd waren: de Vergulde Draeck (voor de Australische kust vergaan in 1656) en de Hercules (in 1661 gezonken in de haven van Galle, Sri Lanka). Kleij: ‘Vanuit de Zaanstreek moeten in ieder geval tientallen schepen aan de VOC geleverd zijn, waarmee miljoenen guldens waren gemoeid.’

De ondergang van de Hercules.

VOC-werf

Zaanse scheepsbouwers bouwden niet alleen in hun eigen woonplaats, maar werkten soms ook op de VOC-werf in Amsterdam. Dit betroffen dus geen slavenschepen, maar vaartuigen die op andere wijze de VOC-belangen behartigden en zodoende het lijfeigenschap in onder meer Nederlands-Indië overeind hielden. De Compagnie had het recht om geweld toe te passen, al dan niet met Zaanse schepen. Ze mocht een leger op de been brengen, verdragen sluiten met inlandse vorsten of hen de oorlog verklaren en langs de kust fortificaties bouwen. In de twee eeuwen van haar bestaan fungeerde ze in Azië als verlengstuk van de Nederlandse staat. In de woorden van Jaap de Moor, auteur van het boek Westerling’s oorlog: ‘De geschiedenis van de VOC laat overtuigend zien dat de koopman de degen en het geweer met verve heeft gedragen en het kanon met overtuiging heeft bediend.’

Slopend werk

Indien gewenst werden de wapens ook gebruikt tegen de slaafgemaakten. Zij moesten onder meer arbeid verrichten op plantages, in de bos- en mijnbouw en op de VOC-werf bij Batavia. Ze waren daartoe soms weggevoerd uit andere Aziatische gebieden, maar ook uit Oost-Afrika. Velen waren gevangenen in hun eigen land. Oud werden ze zelden. Het slopende werk in de tropen leidde meestal tot een vroege dood.

Sommige VOC-schepen kregen Zaanse namen. Het bekendst zijn de in Amsterdam gebouwde vaartuigen Sardam en Assendelft. Zij namen in 1628/’29 deel aan wat de geschiedenisboeken in ging als De Ongeluckige Voyagie van ’t Schip Batavia nae den Oost-Indien. De genoemde Batavia kreeg te maken met muiterij en liep bij Australië aan de grond. Nadat de opvarenden op enkele eilandjes het vege lijf hadden gered, kwam het tot onderlinge moordpartijen, met 125 doden tot gevolg. Op 17 september 1629 arriveerde de door gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen ingezette Sardam bij het wrak en de overlevenden. Enkele moordenaars eindigden aan de galg, 122 mensen werden overgebracht naar Batavia. In de navolgende jaren zouden de Sardam en de Assendelft nog meerdere reizen maken langs handelssteden in de Aziatische koloniën.

Tekening van het ophangen van de ergste misdadigers. Rechts de Sardam (uit De Ongeluckige Voyagie van ’t Schip Batavia nae den Oost-Indien).

Oostindiëvaarders

De Sardam en de Assendelft waren geen uitzonderingen. Er zijn zelfs twee Oostindiëvaarders vernoemd naar Assendelft. En dan waren er ook nog de schepen Zaandijk, Zaandam, Zaanstroom (eerder De Zaan geheten), Oostzaandam, Westzanen, Oostzanen en Enge Wormer. De directieleden die deze namen kozen, moeten een directe of indirecte band met de Zaanstreek hebben gehad. Onbekend na al die eeuwen is helaas welke betekenis deze regio voor hen had.

De Zaandam in 1752.

Bijna-monopolie

De Vereenigde Oostindische Compagnie beperkte zich niet tot de aanschaf van Zaanse schepen of het vernoemen van hun boten naar Zaanse plaatsen. Net als hun collega’s van de WIC bestelde deze multinational hier vrijwel alles wat aan boord nodig was. Van goedkoop hout tot zeildoek en van touwen tot ijzerwaren. Op het gebied van zeildoek was er zelfs sprake van een bijna-monopolie. Piet Kleij: ‘De zeildoekweverij van Krommenie en Assendelft ontwikkelde zich in de loop van de zeventiende eeuw steeds verder en kwam in de achttiende eeuw op haar hoogtepunt; de Nederlandse productie kwam toen vrijwel volledig in de Noordelijke Zaanstreek tot stand. Alleen Jisp en Wormer gaven enige concurrentie.’ Bijna ieder in Nederland gebouwd VOC-schip was uitgerust met Zaans zeildoek.

‘De Nederlandse productie van zeildoek kwam toen vrijwel volledig in de Noordelijke Zaanstreek tot stand.’

Ook de scheepsbeschuit kwam vooral uit de Zaanstreek. ‘Ondanks de relatieve kleinschaligheid van de bakkers – soms hebben ze maar drie ovens – draaien de bakkers een grote productie, zoals blijkt uit de hoeveelheid tweeback [scheepsbeschuit, E.S.] van een zekere Geurt Jansdochter, die in 1612 voor de VOC-kamer Amsterdam in drie ovens twee last tarwe of rogge per week verbakt’, aldus Scheepsbouw en Scheepvaart in de Zaanstreek (2023). Dat komt neer op zo’n 25 ton per oven. Toen er in 1749 in Wormer nog maar vier bakkers over waren (een eeuw eerder waren dat er 130), leverde een van hen, Dirk Martensz Melck, nog altijd aan de VOC. Hij was in de voorgaande twee jaar goed voor ruim 250.000 stuks gesuikerde en witte beschuit. Een paar andere, bijna willekeurige cijfers: Bregje Jacobs uit Wormer bakte in 1742-’43 meer dan 155.000 beschuiten voor de VOC. Dorpsgenoot Dirk Martensz Melck leverde van 1747 tot 1749 ruim 250.000 stuks.

Tekening van de beschuitstoren in Wormer, 1789 (Gemeentearchief Zaanstad).

Pieter Saenredam

Zaankanters verkochten niet alleen aan, maar belegden ook in de Vereenigde Oostindische Compagnie. Een bekend voorbeeld is de in Assendelft wonende graveur/schilder Jan Saenredam. Toen hij in 1607 overleed, liet hij zijn echtgenote en zoon een riante erfenis na, het resultaat van zijn investeringen in de VOC. Dat geld gaf zoon Pieter Jansz Saenredam (1597-1665) de mogelijkheid om zich volledig aan het schilderen te wijden. Hij bleef zijn verdere leven verzekerd van een flink dividend. Als grondlegger van een nieuw genre in de schilderkunst, het vastleggen van kerkinterieurs, werd hij wereldberoemd. Ook als hij even geen werken verkocht, kon hij zijn riante levensstijl makkelijk voortzetten. Met dank aan de VOC.

Dankzij de VOC kon Pieter Saenredam zijn riante levensstijl makkelijk voortzetten.

En dan was er ook nog de kennisoverdracht. De belangrijkste man op de Amsterdamse VOC-werf op Oosterburg was de meester-scheepstimmerman. Het Stadsarchief Amsterdam bezit een tekening van ‘W.T. Block Scheeps Timmerman’. Onder deze tekst staat een nadere duiding: ‘Is gebooren te Zaandam 31 may 1684 en heeft heeden 8 May 1775 zijn 154. schip voor d’Ed O.I.C. onderhanden.’ De tekening toont de dan blijkbaar 91-jarige Zaankanter, die tijdens zijn werkzame leven betrokken was bij de bouw van maar liefst 154 VOC-schepen. Geen andere meester-timmerman van de Vereenigde Oostindische Compagnie zal hem dat hebben nagedaan.

W.T. Block in 1995 (Stadsarchief Amsterdam).

Arme jongens en mannen

Zaankanters bouwden voor de VOC, op onder meer de Zaanse en Amsterdamse werven. Maar ze vertrokken ook met de eindproducten naar Azië. Piet Kleij rekende uit dat op de Oostindiëvaarders die de kamers van Hoorn en Delft tussen 1700 en 1795 gebruikten 104 Zaankanters voeren. Van hen – vaak arme jongens en mannen die op deze wijze een inkomen vergaarden – kwam bijna de helft uit Wormer en Jisp.

Bijna de helft van de Zaanse Oostindiëvaarders kwam uit Wormer en Jisp.

Het Zaanse aandeel bleef overigens relatief klein. Begrijpelijk; in de eigen regio was meestal voldoende werk te vinden. En dat was bovendien minder gevaarlijk dan de verre, door stormen, zeerovers, ziektes en belabberd voedsel gekenmerkte reizen naar de Oost. Voor wie desondanks toch de zee op wilde of moest, vormden de walvis- en binnenvaart aantrekkelijker alternatieven. Van bovengenoemde 104 Zaankanters stierven er 65 in VOC-dienst. Het zegt veel over de omstandigheden aan boord.

Kennisachterstand

Vergeleken met wat er al is blootgelegd over de trans-Atlantische slavenhandel staat het onderzoek naar het Nederlandse kolonialisme in Azië (en Zuidelijk Afrika) nog in de kinderschoenen. Dat is opvallend, mede vanwege de enorme aantallen slaafgemaakten die daar werden ingezet ten bate van de Republiek. Er zijn meerdere redenen voor de kennisachterstand. Indonesische dwangarbeiders waren niet per schip naar de plantages vervoerd, maar zaten gevangen in hun eigen land. En hun nazaten kwamen niet in zo’n groten getale naar Nederland als die van Surinaamse en Caribische lijfeigenen. De exploitatie van de Oost was echter veel omvangrijker dan die in de West. Onder het Nederlands bewind in Indië werden meer plantages en meer slaafgemaakten gebruikt. Het onderzoek naar deze zwarte Aziatische bladzijde bevindt zich nog in de beginfase. De komende jaren wordt er ongetwijfeld meer over bekend.


Waardeer dit artikel

De content op deze website is in en uit principe gratis, maar het maken ervan kost wel geld. Vond je het de moeite waard? Laat het blijken met een kleine bijdrage en help bij het mogelijk maken van onafhankelijke artikelen.

ValutaBedrag





Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *